Ontstaan van de gasfabrieken

Volgens sommigen is het een Nederlandse zeventiende-eeuwse chemicus die voor het eerst het begrip ‘gas’ gebruikt als afleiding van het Griekse ‘chaos’. Al rond 1726 ontdekt men dat gas wordt gevormd door fijngestampte steenkool te verwarmen. Toch is er tot het einde van de achttiende eeuw geen inzicht op een mogelijk praktisch gebruik ervan. Daar komt door hoogleraar Jan Pieter Minckelers verandering in. Hij ontdekt rond 1784 dat door het verhitten van steenkool zonder de aanwezigheid van zuurstof, gas ontsnapt dat lichter is dan lucht. Het betekent de ontdekking van lichtgas en daarmee gasverlichting.

In omliggende landen komen gelijktijdig dezelfde ideeën op. Zo experimenteert, door kennisneming van Engelse voorbeelden, de Nederlandse predikant Bernardus Koning uit Akersloot in 1809 als eerste met steenkolengas. En in 1811 past hij in zijn eigen woning gasverlichting toe. De ontwikkelingen gaan dan razendsnel. In 1826 en 1827 worden de eerste gasfabrieken in Nederland – in Amsterdam en Rotterdam – in bedrijf gesteld waarna vele andere plaatsen volgen. Tot na de Tweede Wereldoorlog blijven de gasfabrieken in bedrijf, tot gasvondsten in Drenthe en Overijssel een nieuw tijdperk inluiden. Vanaf de jaren vijftig stoppen gemeentelijke gasbedrijven hun productie en gaan over tot regionale distributie. Als de gasbel bij Slochteren wordt gevonden, ontstaat er een uitbreidingsrage. Er worden gasnetten aangelegd naar gebieden die voorheen niet bereikbaar waren en zo bereikt het gas langzaamaan iedereen in heel Nederland.
Bron: Wim Buitenhuis, voormalig medewerker (1960-1985) bij de Gamog