Gasgedicht

Omstreeks honderd jaar geleden, in 1857, zijn er in Leerdam al 350 gaslantaarns die een flauw gelig licht verspreiden. Een luxe voor die tijd! Dat dit echter niet altijd even goed gaat, weerlegt het korte gasgedichtje:

 O, wat een schande,
het gaslicht wil niet branden.
O, wat een eer,
het gaslicht brandt alweer.

Steden gehuld in duisternis

Steden gehuld in duisternis Amsterdam 1887. Wanneer de zon zich verschuilt achter de horizon is de stad gekleed in volslagen duisternis. Ramen en deuren gaan op slot. De straat op gaan doen alleen de echte durfallen, want duisternis betekent gevaar! Brand, diefstal, moord of vallen in de grachten – het gebeurt wel eens doordat er geen hekken langs de kant van het water staan. De eerste openbare verlichting is al verschenen in de 16e eeuw, maar is niet heel toereikend. Aan de hoeken van gebouwen en bij de toegang van gevaarlijke bruggen worden kleine olielampjes geplaatst. Later verschijnen hier en daar aan de gevels lantarentjes met een klein vetkaarsje erin, maar veel licht geven die niet.

Dat de hoofdstad weinig licht kent, is niet enkel daar het geval.  Grote delen van ons land leven ’s avonds en ’s nachts in het donker. Zo ook Harderwijk. Want hoe lang brandt er al nu eigenlijk al licht op de Harderwijker Pier? Loopt er een nachtwaker met een kaars- of olielamp rond?  Hoe zit het met de Vischpoort? Laatstgenoemde is wegens zijn zwaarte en bouw een nogal merkwaardige poort te noemen. Daarom brandt op diens toren ‘s avonds, ten behoeve van ‘Zeevaarders en Visscherslieden’, een lantaarn. Zo kan men na werk de weg naar huis – of het café nog vinden.

Bron: Wim Buitenhuis, voormalig medewerker (1960-1985) bij de Gamog.
Foto: Jacob Olie, 1896.